Contact met de onderwereld - Jan Braet
Ik word er zo vreselijk moe van als ik weer maar eens lees dat iemand een belangrijke nieuwe stap in zijn artistiek parcours heeft afgelegd of dat deze of gene kunstenaar door zijn ingrepen de ruimte in vraag heeft gesteld. Clichés vind je in alle rangen en standen, en niet het minst in de kunstkritiek, die vaak niet meer vertellen dan dat de auteur verdergestudeerd heeft. Met de jaren besef je echter dat je je daar zelf ook aan bezondigd hebt, en dat het werk om aan die voorgekauwde sjablonen te ontsnappen nooit ophoudt. Jan Braet toont bij voortduring aan dat het kan.
Toen ik als eindredacteur van Knack Extra voor het eerst zijn teksten onder handen moest nemen, was dat met enige wrevel. Ik kwam van een krant, een medium dat per definitie vooral eenduidige teksten aflevert, een medium waarvan de lezer niet veel tijd heeft en veronderstelt wordt zonder haperen naar het einde te kunnen doorlezen. Dat lukt niet bij Jan. Je eerste indruk is dat er te veel ballast aan zijn zinnen hangt, dat het niet vooruitgaat – die indruk krijg je overigens soms ook als je met hem praat. Ik merkte echter al snel dat dat er ook mee te maken heeft dat hij zich over om het even welk onderwerp grondig buigt, het van alle kanten bekijkt, vergeelde boekjes opduikt die ergens opgeslagen liggen in de gesloten kasten van bibliotheekarchieven. En vooral dat hij kijkt, nog voortdurend leert kijken, nog steeds enthousiast kijkt, of het nu voetbal, Rubens of Joann Sfar betreft. Daardoor overstijgen zijn teksten de loutere beschrijving, de haastige, inspiratieloze situering in een canon of kleiner hokje – ‘kunst is kunst’, zo zei hij me op een van onze recente sigarettenwandelingen toen ik hem vertelde dat ik onderstaande een perfect voorbeeld vond van een begeesterende tekst.
Dit artikel, Contact met de onderwereld, boeit me op vele niveaus. Dat is niet helemaal de verdienste van Jan: MAC’s-Directeur Laurent Busine reikte hem het basismateriaal aan – geen goede tekst zonder goede tentoonstelling. De termen waarin Jan die beschrijft zijn niet toevallig. Het contact met de onderwereld uit de titel slaat niet alleen op het avontuur van Orfeus, maar ook op het onbewuste, het vergetene, het onbekende dat deze expo toont. Kunst is in essentie magie waarmee je vergeten, onbekende werelden tot leven wekt. Die kun je alleen maar beschrijven door je hele leven te blijven kijken, niet door in holle woorden wat al op een voetstuk staat nog enkele meters hoger op te tillen. - Kris Jacobs
CONTACT MET DE ONDERWERELD
Welk beeld blijft er van ons bestaan, duizend jaar na onze dood? De grote, naamloze zomerexpo in het MAC’s is opgedragen ‘à toutes les morts, égales et cachées dans la nuit’.
DOOR JAN BRAET
Orfeus, de antieke muzikant, had de veerman van de onderwereld in slaap gewiegd met zijn muziek. Nu stond hij op verboden terrein en hij trachtte de bevoegde goden om te praten. Of hij zijn gestorven geliefde niet mocht meenemen, voor even. ‘Uw heerschappij zal nog lang genoeg duren, de eeuwigheid van de dood lang’, zei hij, of iets van die strekking. Laurent Busine, directeur van het MAC’s, kent zijn klassieken genoeg om er het verhaal van zijn grote tentoonstellingen mee te schragen. De Orfeuspassage deed hem de duur van ons voortbestaan in de onderwereld afwegen tegen de zucht van ons leven. Hij besefte dat het beeld dat we van onszelf nalaten aan de overlevenden minstens een nadere beschouwing waard is.
Een zelfbeeld nalaten was ooit de groten der aarde voorbehouden, mijmert Busine in de kleine aula van zijn museum op de vroegere mijn van Le Grand-Hornu. Hij denkt aan de farao’s en hun piramides, en schakelt in één ruk over op de stroom banale portretten waarmee de wereld bevolking zichzelf vandaag in the picture brengt. ‘En wat als een tsunami morgen alle onderscheiden wegblaast, en het een paar beduimelde familiefotootjes zijn die overblijven?’ vraagt hij retorisch. (Een periode van duizend jaar heeft uiteindelijk hetzelfde effect als een tsunami.) Door te weigeren om dat als een tragedie te beschouwen, verraadt hij stilzwijgend het egalitaire betoog dat hij zijn grote zomertentoonstelling meegaf.
In A toutes les morts, égales et caches dans la nuit worden echte kunstwerken, relikwieën, volksprenten en amateurfoto’s met dezelfde egards behandeld: het komt aan op de intensiteit waarmee objecten op het gemoed inwerken en ons in staat stellen om de doden – geliefden en ongeliefden, bekenden en onbekenden, beroemden en anoniemen – wakker te maken. Zodat we met hen kunnen spreken. Dat het in werkelijkheid een alleenspraak blijft, neemt niet weg dat we ons perfect in hun antwoorden kunnen inleven. (Een meestertentoonstellingsmaker als Busine presenteert een ingelijste haarlok, een vergeelde foto van een filmster met lippen in bijgekleurd rood of een vingerkootje van Sint-Paulus met evenveel zorg en royale omkadering als een zelfportret van Giorgio De Chirico of Douglas Gordon. Dat versterkt het gevoel dat alle verkeer met de onderwereld op voet van gelijkheid verloopt.)
Als we niet konden spreken, zouden we ons dan wel ergens een beeld van kunnen vormen? ‘Taal is het eerste vehikel dat we hebben’, zegt hij. Elk beeld ontstaat doorheen zijn beschrijving of in de verhalen die het losmaakt. Of het als object dan wel puur voor het geestesoog verschijnt, maakt weinig verschil uit. Alle kunst is conceptueel, kun je zeggen. Dat maakt Laurent Busines korte histories die hij in het bibliofiele kleinood bij de tentoonstelling schreef van dezelfde orde als de objecten die hij in de zalen exposeert.
De plaatjes in het boek steken los tussen de bladzijden. De lezer kan ze op elk moment een eigen leven laten leiden. Hij kan ze op karton kleven en er een museale presentatie in een doos mee maken. Hun gebruik is facultatief. Zo kan de reproductie op miniformaat van een oude kleurenets die Kaspar Hauser voorstelt, dienen als een geheugensteuntje. Het ding wint aan emotionele waarde voor wie de bijbehorende vertelling van Hausers zonderlinge verblijf op aarde net gelezen heeft. Hij werd als knaap in 1828 plots op het marktplein van Nürnberg aangetroffen, zonder dat iemand wist waar hij vandaan kwam. Hij was goed gekleed en had een brief bij zich waar zijn naam op stond, want zelf kon hij slechts klanken brabbelen. Een lokale geneesheer nam hem in dienst, en bracht hem enkele basisregels van fatsoen bij. Vijf jaar later vond men hem levenloos op straat, bezweken aan zijn steekwonden. De omstandigheden van zijn dood bleven even onopgehelderd als die van zijn afkomst.
Lang afscheid
Het paradoxale aan Kaspar Hauser is dat precies zijn enigmatische bestaan hem aan de vergetelheid onttrok. Elke generatie opnieuw haalt de herinnering aan hem van onder het stof, zonder dat ze er wijs uit raakt. Busine – behalve kunsthistoricus ook archeoloog – legt op zijn beurt de contouren van zijn figuur bloot. In de context van de tentoonstelling bewijst hij eigenlijk ook dat een naam hebben geen garantie is om uit de anonimiteit te treden. Hoe dan ook, voor allen aan wie deze naamloze tentoonstelling is opgedragen (‘Alle doden, gelijk en verborgen in de nacht’) geldt dat ze een eeuwigheid lang voortleven in de beelden en de verhalen die wij van hen vormen.
Dat kan gebeuren op basis van materiaal dat ze speciaal voor dat doel hebben achtergelaten. Kunstenaars nemen ons daarbij nogal eens in het ootje. Wou Giorgio De Chirico (1888-1978) dat we zijn zelfportret in de vermomming van een zeventiende-eeuwse aristocraat au sérieux zouden nemen, of juist het schilderij waarop hij als een halfnaakte drommel verschijnt? Houdt Douglas Gordon (vooruitlopend op zijn dood) ons voor dat hij de waarheid over zichzelf alleen aan zijn spiegelbeeld kan toevertrouwen, en bestreek hij daarom zijn portret-als-lichtbeeld met een waarheidsserum alvorens de spiegel te kussen? (Ook Narcissus, Gordons voorbeeld uit de mythologie, werd verliefd op zijn spiegelbeeld, maar maakte daarbij zichzelf alleen maar leugens wijs, wat zijn ondergang werd.)
Vooral hele gewone stervelingen besteden weinig aandacht aan het imago dat ze na hun overlijden zullen verspreiden. Ze zijn daarom nogal eens aangewezen op de zorg die anderen ervoor dragen. Die zorg kunnen kunstenaars voor hun rekening nemen. Vijf jaar voor het MAC’s in 2002 openging op het verlaten mijnterrein van Le Grand-Hornu leverde de Franse kunstenaar Christian Boltanski voor meer dan 3500 vroegere mijnwerkers een ijzeren doos. Op de doos stonden hun naam en hun foto, en vanbinnen wie weet (de dozen bleven dicht) een intiemer aandenken.
Opgesteld langs een enorme muur in de vroegere hooischuur vormen de dozen de installatie Les Registres du Grand Hornu. Ze worden pas voor de derde keer in de geschiedenis van het MAC’s getoond, en nog maken ze persoonlijke emoties los. ‘Een suppooste kwam me met tranen in de ogen vertellen dat ze op een van de dozen haar vader had herkend’, zegt Busine. Over pakweg vijftig jaar zullen dat soort individuele herkenningsmomenten verdwenen zijn, mijmert hij. Wat zal blijven, is een memoriaal met een universele herkenningswaarde.
Er is een groot werk op de tentoonstelling dat niet zichtbaar is opgehangen aan een persoonlijke herinnering. De videoprojectie Long Goodbye (2007) van David Claerbout leest als een eigentijdse, universele bezinning over het moment waarop elke mens de overtocht naar de overkant moet maken. Op het terras voor een landhuis in de zon zet een jonge vrouw een schenkkan en twee kopjes op tafel. Ze wacht op iemand. De scène, die iets intiems heeft, is in lichte slow motion gefilmd. Plots schuift een donkere schaduw over de gevel van het huis, en de vrouw weet wie er onverwachts gekomen is. Terwijl de camera haar afscheidsgebaar langzaam blijft volgen, schuift in versnelde tijd de lichtcyclus van een dag over de gevel van het huis. Alles wordt in een peilloze diepte getrokken (de veerman van de onderwereld heeft zich niet in slaap laten wiegen).
Uit Knack, 7 juli 2010
Expo: Aan alle doden
TOT 10 OKTOBER IN HET MAC’S. RUE SAINTE-LOUISE 62, HORNU. OPEN VAN DINSDAG TOT ZONDAG VAN 10.00 TOT 18.00 UUR.