Juryrapport Prijs voor de Jonge Kunstkritiek 2010
De beeldende kunsten liggen net als de andere kunsten onder schot, niet alleen in de Lage landen maar in grote delen van Europa. Het populisme en de rancune van een democratische meerderheid werpen steeds meer schaduwen op het kwetsbare en niet meteen te bevatten werk van kunstenaars die hun oor niet laten hangen naar markt en maatschappij. Het zou bij het uitreiken van de Prijzen voor de Jonge Kunstkritiek behoorlijk wereldvreemd zijn, om hier helemaal aan voorbij te gaan. Want de eigentijdse kunst ligt niet alleen onder schot, het vuur is reeds geopend.
Dat dwingt al wie zich met kunsten bezighoudt tot een stellingname, of op zijn minst tot bereidheid de urgentie van die kunsten te laten zien. Zoiets is niet eenvoudig tegenover een weinig welwillend front dat zich hult in verwijten van elitisme, nuttigheidsdenken en onverschilligheid jegens al datgene waarvan niet meteen duidelijk is wat het betekent en wat het is. Nu is niet iedereen in staat om onder woorden te brengen wat de urgentie, de relevantie en de actualiteit van de beeldende kunsten zijn. Daarom is de kunstkritiek op dit moment belangrijker dan zij sinds lang is geweest. Niet om uit te leggen aan wie niet wil horen, maar om de urgentie aan betrokkenen te tonen en zo hun weerbaarheid te vergroten, en vooral om de urgentie duidelijk te maken aan een op zich welwillend publiek dat te lang door de kritiek stiefmoederlijk is bedeeld.
Kritiek dient onderscheid aan te brengen tussen wat goed is en wat beter. Dat is de laatste decennia ook wel eens vergeten. Want de beeldende kunsten werden steeds conceptueler en intellectueler. Bovendien deden er zich steeds meer hybride vormen voor, die de klassieke genre-onderscheidingen betekenisloos leken te maken. Het werd volgens menigeen eerder de taak van de kritiek om kunstwerken uit te leggen en te laten zien waarom het kunst was, dan ook nog eens een oordeel te vellen. Dat tragisch misverstand, van de kritiek als een soort bijsluiter, heeft zijn beste tijd gehad, mogen we hopen, want onderscheid maken is cruciaal voor een bloeiende kunstpraktijk.
De kunstkritiek is belangrijk geworden en daarom is nieuw bloed essentieel. Wat jonge critici vaak nog aan ervaring en eruditie missen wordt gecompenseerd door onbevangenheid, enthousiasme en een andere blik op de wereld om ons heen, die van een nieuwe generatie. Dat mag een cliché lijken, de media die daar geen oog voor hebben en vergeten aan zo’n nieuwe blik ruimte te geven, verliezen aansluiting met wat er om hen heen gebeurt.
Veel recensies van de critici die iets inzonden voor de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek getuigen inderdaad van bereidheid niet louter in interpretatie en uitleg te blijven steken, en ook weer met een oordeel te komen. En de betere essays etaleren evenzeer een urgentie waaraan het de laatste jaren nog wel eens heeft ontbroken. De hoeveelheid inzendingen was deze keer niet verpletterend: 25 recensies en 25 essays. En de kwaliteit was zo divers dat het niet eenvoudig is een algemene tendens in deze stukken te onderscheiden.
Om met enkele sombere woorden in te zetten: van de slechtste helft was de stijl vaak beroerd, met zelfs ongrammaticale zinnen, clichés, herhalingen en duister gefilosofeer, hier en daar gekruid met de bitterheid van de verongelijkte blogger. Behoorlijk wat proza deed denken aan wat Balzac eens over recensenten schreef: ‘De pagina lijkt vol, ze lijkt ideeën te bevatten, maar wanneer een ontwikkeld man zijn neus erin steekt, snuift hij de geur van kelders op. Het is diep en er staat niets in; het verstand dooft erin uit als een kaars in een grafkelder zonder lucht.’
Laten we ons op de beste helft richten. Ook hier onderscheidde de jury, vol kritische critici die hun jonge collega-critici zonder voorbehoud de maat namen, de nodige gebreken. Om te beginnen bleven veel betogen en recensies in een te hoog abstractieniveau steken. In plaats van aan een goed gekozen voorbeeld een redenering op te hangen moest de lezer vaak gissen naar wat al die algemeenheden nu eigenlijk concreet betekenden: over welke tentoonstelling had de schrijver het in godsnaam, over wat voor soort werk precies? Hoe zag het eruit? ‘Begriffe und Abstraktionen’, schrijft Schopenhauer, ‘die nicht zuletzt auf Anschauungen hinleiten, gleichen Wege im Walde, die ohne Ausgang endigen’ en zo is het maar net.
Een ander punt was de grote ernst, waaruit weliswaar een enorme toewijding sprak, maar die menigmaal, hoe ontroerend soms ook, ondraaglijk werd. Wij snakten bij het lezen geregeld naar lucht – en dan niet de kelderlucht van Balzac. Niet uit verlangen naar ironie of populisme, wij snakten naar lucht uit verlangen naar bewegelijkheid, naar het onverwachte doorkijkje en naar het gevoel voor dubbelzinnigheid dat de recensent goed staat en voor de essayist onmisbaar is. En natuurlijk misten we toch soms de urgentie, de dwingende ideeën, de verrassing van het onbekende en de persoonlijke inzet.
Wij wilden kritisch zijn, alleen niet het soort jury dat zichzelf feliciteert door eindeloos te klagen over het bedroevende niveau van de inzendingen. En dat hoefde gelukkig ook niet. Wij waren namelijk opgetogen over een aantal eigengereide stukken, over een rusteloos nieuw utopisme dat geregeld doorschemerde en over de betoonde nieuwsgierigheid in een hybride en soms zo ordeloos lijkende wereld. Dat mondde uit in twee prijswinnaars en twee keer twee flankerende basisprijzen bij een totaal van negen nominaties.
In de categorie Recensie wordt een prijs uitgereikt van 7500 euro en twee basisprijzen van 500 euro elk bij een totaal van vijf nominaties.
De jury nomineerde Christophe van Eecke met een originele recensie die niet helemaal een recensie was, over interventies als een paar over elektriciteitsdraad geslingerde schoenen, en wat die konden betekenen voor onze blik op kunst in de openbare ruimte. Het stuk, Serendipiteit: interventies in een Polderlandschap, sprong er niet uit vanwege de stijl en was misschien niet heel sophisticated, maar de jury was enthousiast over de eigen taal, de goede vragen die werden gesteld en de moed een helder standpunt in te nemen. Minstens even enthousiast was de jury over de bijdrage van Marianne van Dijk: Amélie zwijgt, Kafka lacht, over de vogelhuisjes van de Finse kunstenaar Otto Karvonen. Het was misschien niet overdreven kritisch en het miste een beetje het gevoel voor ambivalentie, maar het viel op als een goed geschreven beeldend en informatief betoog dat het vaste stramien van de recensie doorbreekt en oog heeft voor de eerder genoemde urgentie. Beide auteurs vallen niet in de prijzen, maar ontvangen van de jury een eervolle vermelding voor de originaliteit van hun stukken.
Komen we toe aan de prijswinnaars! Yasmijn Jarram schreef een enthousiasmerende bespreking over de tentoonstelling van David Bade in het GEM te Den Haag afgelopen zomer. Weliswaar miste de jury hier een oordeel, maar het stuk was zo goed geschreven en informeerde zo helder over de context van het werk en over de tentoonstelling zelf, dat de jury niet aarzelde het te bekronen. Minstens evenveel waardering had de jury voor Lynne van Rhijn's recensie met de intrigerende titel Waarom ik voortaan mijn schoenen poets. Hierin bespreekt ze een bijna tegelijkertijd in Den Haag aanwezige tentoonstelling in Walden Affairs met de drie kunstenaars Nishiko, Nasan Tur en Chris Burden. Uit dit stuk klinkt een eigen stem, zo belangrijk voor kritiek, iemand die de lezer kijkend en redenerend door een tentoonstelling weet mee te nemen en je met haar mee laat denken en mee laat kijken. Een derde stuk waar de jury niet omheen kon was Joost Vormeer´s recensie van de tentoonstelling In-between Things in het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam. Zijn artikel bevat rake observaties en verbindt theorievorming en academisch denken met het persoonlijke. Het richt zich op het hybride karakter dat in zoveel hedendaagse kunst een rol speelt.
Uit deze drie prijswinnaars moesten we ten slotte één kiezen voor de hoofdprijs. Om dat te motiveren lees ik de laatste alinea voor uit het stuk van een van deze drie kandidaten, want dat geeft onbedoeld weer wat wij van het beste stuk dachten: ‘Jennifer Allen heeft (…) gesteld dat een van de meest waardevolle ervaringen (…) is, dat je na het zien van een werk iets denkt dat je eerder niet kon denken. Maar hier gebeurde iets anders, dat zeker zo waardevol is. Een gedachte die wel eens eerder bij me moet zijn opgekomen (…) is na het zien van deze expositie krachtiger teruggekeerd. Gecombineerd versterken de werken in deze expositie het idee dat ze afzonderlijk ook in zich dragen: dat vele kleine handelingen, ook de onbewuste en onopgemerkte, opgeteld wel degelijk iets groots kunnen bewerkstelligen.’
Dit werd geschreven door Lynne van Rhijn, en zij is de recensie-winnaar van de Prijs voor Jonge Kunstkritiek 2010!
Gaan we over naar de categorie Essays, met weer twee basisprijzen van 500 euro en een hoofdprijs van 10.000 euro. (De verhoudingen liggen op dit erepodium nu eenmaal wat anders dan bij de Tour de France of de Olympische Spelen.)
De jury nomineerde een opstel van Coen van Beelen. Een sinister genoegen bracht uiteenlopende reacties teweeg. Het studentikoze en het narcisme werd Van Beelen niet te zwaar aangerekend vanwege de knappe manier waarop hij een schrijver, een filmer en een kunstenaar bij elkaar weet te brengen en vanwege de combinatie van het zinnelijke met de door hem onder de loep genomen onthechting in de kunst. Dit leverde hem geen prijs op, maar de jury wil zijn bijdrage toch bekronen met een eervolle vermelding.
Ook hier zijn ten slotte drie prijswinnaars tevoorschijn gekomen. De met een eervolle vermelding al genoemde Christophe van Eecke ontvouwde in Stille virtuozen. Vingeroefeningen in Postmoderne Devotie, ondanks deze wat omineuze titel, een interessante gedachte over een tendens in de hedendaagse kunst. Deze tendens neemt afscheid van het kapitalisme en is op zoek naar verinnerlijking, zonder sentimentele spiritualiteit. Een helder en origineel stuk, net als dat van Nicoline Timmer. In een essay dat moeiteloos van literatuur op beeldende kunst overgaat en weer terug, ontdekt zij eveneens een tendens in de kunst van nu: nieuwe romantiek. En hoewel de redeneringen soms wat associatief zijn, is het stuk enthousiasmerend en raak in zijn voorbeelden, een essay in de beste zin van het woord.
Tenslotte koos de jury ook het opstel van Thijs Lijster uit, De grote vlucht inwaarts. Het is een prachtig betoog over de verhouding tussen kunst en design, met volgens een van de juryleden de mooiste zin uit alle bijdragen, ik citeer: ‘Maar als de samenleving niet meer maakbaar is, dan misschien de huiskamer nog.’
Lijster vraagt zich af hoe design ons begrip van kunst heeft veranderd, nu de oude wens van de avant-garde, om kunst en leven samen te brengen in het design geslaagd is. Hij laat de problematische verhouding zien tussen vormgeving, een consumptiecultuur en hedendaagse beeldende kunst en hij betoogt dat designachtige kunst als die van Joep van Lieshout, namelijk als negatieve utopie van het design, de kunst een uitweg biedt. Dat mag wat abstract klinken, Schopenhauer zou zijn hoofd schudden, Thijs Lijster weet het aanschouwelijk te maken in zijn goed geschreven bijdrage die filosofie, kunstgeschiedenis en gezond verstand combineert. Dat alles in een haast journalistieke stijl, ware het niet dat hier eveneens een eigen stem klinkt en dat het stuk doet wat een essay moet doen: het geeft te denken.
De jury was het er dan ook unaniem over eens dat de Essayprijs voor de Jonge Kunstkritiek 2010 naar deze bijdrage diende te gaan: het winnende essay is De grote vlucht inwaarts van Thijs Lijster.
November 2010, Maarten Doorman